Roller Derby

Roller Derby. Roller Derby. Roller Derby.

Nee, dit is niet een of andere poging de Roller Derby-god op te roepen. Ik probeer een beeld op te roepen. Zo’n plaatje van dames in hotpants met veel te grote tieten in een veel te klein wit shirtje gepropt. Die dan op van die oldskool rolschaatsen hun ding doen in een zaal die nog ruikt naar net-gelakte houten planken. Waar ze van die oldtimers hebben omgebouwd tot tafeltjes. Waar een milkshake nog gewoon geschut melk is dat ze in van die grote ijsglazen serveren. Waar ze in principe geen muziek draaien, maar waar toch de godganse dag rauwe country klinkt omdat dit zo filmisch aandoet dat er rauwe country bij hoort.

Heb je dat?

Dan heb je het dus mooi mis. Roller Derby is zoiets als ijshockey op rolschaatsen voor vrouwenteams met namen als ‘Deathrow Honeys‘. Alleen dan zonder het ijs en zonder het hockey’en. O, en de vrouwen zijn meestal ook niet zo heel erg vrouwelijk (of juist weer zo vrouwelijk dat je niet begrijpt waarom ze hieraan meedoen). Wat overblijft is iets dat heel fascinerend is. En totaal dus niet voldoet aan je verwachtingen. Maar daarom niet minder is. Nee, dit is eigenlijk veel toffer.

Jup, véél toffer!

Advertisements

Leave a comment

Cavia’s

Ik had vroeger een cavia, want ik vond hamsters overrated. Hamsters zijn namelijk ondingen: als jij doodop bent van het de godganse dag soldaatje spelen op het schoolplein, vinden die krengen het nodig om uit diepe coma te komen om urenlang nutteloos door een rad te rennen. Weg slaap. Nee, ik wilde een cavia. En een konijn, want anders was de cavia zo allenig. Mijn cavia was fantastisch. Zat uren starend-knabbelend in een hoekje en piepte zo het hele repertoire van, zeg, Bach. Oke, hij piepte omdat hij werd aangerand door mijn konijn, maar dat is een ander verhaal.

Cavia’s zijn nuttig. En vooral in Peru. Daar houden ze festivals speciaal voor dit knaagdier. Dan kleden ze die beestjes aan, en gaan ze ermee rondhupsen. Tenslotte worden ze kaalgeschoren, geroosterd en geserveerd met stukjes kaas aan saté-prikkertjes in hun rug, maar ook dat is een ander verhaal. In Peru gebruiken ze de cavia ook om te kijken hoe het met ongeboren kindjes gaat. Ik zag ooit op televisie hoe een nuchter Nederlands meisje op bezoek ging bij de plaatselijke Peruaanse verloskundige. Ze mocht uit tig kooitjes een cavia kiezen. Vervolgens moest ze tien minutenlang met zo’n aandoenlijk bruinzwart beestje knuffelen. De verloskundige ging daarna enthousiast met die cavia rollen over de zwangere buik. Door de cavia open te snijden kon zij aan de ligging van de ingewanden zien hoe het met het kind ging. Leuk om te vermelden is dat ze voor die slachting nog wel eventjes tien keer heel diep moest ademen op het Cavia-kopje.

Over verkleden gesproken. Er is op internet een hele wereld van mensen die als hobby hebben hun cavia aan te kleden en daar foto’s van te maken. Voor hen is ‘hobby’ een klein woord, want ze nemen het bloedserieus. Je hebt cavia-outfits: kleding met een casual aard, zoals rokjes, jasjes en shirtjes. En je hebt cavia-costumes: voor als je ooit besluit je cavia mee te nemen naar carnaval of een themafeestje. Geen idee waarom je dat zou doen, maar ik heb ook nooit begrepen waarom mensen een gemuteerde rat, oké, iets genuanceerder, een chiuaua ronddragen.

Kortom. Cavia’s zijn underrated en dat wist ik al op heel vroege leeftijd. Hieronder een van mn favorieten. Ik moest kiezen uit tig foto’s, en uiteindelijk ging het tussen een cavia als FARC-commando (lees: cavia in legeroutfit met klein geweertje voor muur met vlaggen en zwart-geverfd hoofdje), cavia als honingbij (lees: het schattigste dat je ooit hebt gezien) en cavia die een eend aanrandt (lees: enorme cavia met een voorbind-dildo met daaroverheen een plastic eend geplakt). Hoe dan ook: de cavia met zijn onovertroffen wezenloze blik heeft een intense cuteness-factor in elk kostuum.

Leave a comment

Verliefd zijn

En dan niet zomaar verliefd zijn.

Want de hele wereld is verliefd; op de liefde. Je weet wel. Samen zitten, samen film kijken. Samen de zon wegkletsen, samen het donker wegdansen. Samen giechelen. Samen.

Nee, ik heb het over verliefd zijn óp. En dan wordt samen ineens heel anders, eng.

Maar als je het toelaat is het geweldig. Alsof er ergens in je maag een kleine Ierse kabouter met een grote pot goud zijn dansjes staat te doen naast een regenboog. Die regenboog is uitgepoept door een glitterpony. O, en ergens diep vanbinnen huppelt ook nog een spiegeleenhoorn. Zo eentje uit die clip van Goldfrapp.

Sowieso dat verliefd zijn óp klinkt als dat liedje.  Of als nooit genoeg krijgen van jou, van mij, van ons, van dit.

Ach, je kent het wel.

Leave a comment

Eefje

Eefje. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik een schuchter Volkskrant-lezend meisje dat waarschijnlijk iets met Letteren studeert. Zo een die door weilanden huppelt in bloemjurkjes, foto’s maakt van haar hipster-vriendjes met een lomotoestel en de nachten weg-gitaart met liedjes van Simon & Garfunkel. Eentje die ‘creatief’ tot pleonasme heeft gemaakt en in koffietentjes een kleedje over zich heenlegt terwijl ze haar eigengemaakt humuswraps opeet. Die kinderen redt in Afrika door te douchen met de eendjes in een Amsterdamse vijverplas, haar haren afknipt en spaart om er beertjes van te breien, en huppelt, huppelt, huppelt.

Eefje de Visser voldoet aan dit beeld. Sterker. Ze verheft de negatief beladen term ‘autistisch’ tot iets moois. Ze is namelijk niet onzeker. Ze kan het gewoon niet, omgaan met publiek. Maar ze doet het toch. En Goddank! Haar liedjes zijn woordkunsterig, zuiver en doen je vergeten te denken. Door liedjes als ‘Hartslag’ en ‘De trein’ wordt de wereld eventjes heel simpel.

Speel haar op je iPod of fancyshmancy telefoon en je bent eventjes verstild in alle awesomeheid van de ander. Met haar merk je de vertraging in de trein niet op, maar wel de mooiheid van het weiland waarin je stilstaat. En als je dan je ogen heel fijn dichtknijpt, zie je haar wellicht door dat weiland huppelen, huppelen, huppelen.

1 Comment

Ferry Mingelen

Ik zag Ferry Mingelen. Hij droeg een jas en had een telefoon. Hij was bijna net als ieder ander; maar dan toch meer als Jezus.

Leave a comment

2d-films

‘2d+d=geld in het laatje’ is het nieuwe ‘1+1=2’. Hoofdpijn van het nadenken over een plot die zo inventief en goed doordacht in elkaar zit is onwijs jaren nul; hoofdpijn van een veel te zware bril die je ieder half uur eventjes moet afzetten is geheel jaren nu. Het creëren van diepte door objecten voor elkaar te plaatsen is voor mietjes; echte mannen filmen beelden in twee kleuren en gooien daar een shitload aan veel te dure software overheen om Ware Diepte te maken.

Sinds de grote boem van ‘Avatar’ krijgt elke filmmaker namelijk dollartekens in de ogen bij het horen van een derde d. Dus plakken ze een extra d aan al hun producties, en hopen dat de cashflow 3x zo groot is. Ze vergeten echter één belangrijke vraag te stellen: wat voegt dat blauw-rood-filter toe aan de film? Roger Ebert verwoordt het net iets andersom in ‘Sun-Times’: denk aan je mooiste filmervaring en vraag je af wat 3d daaraan toegevoegd zou hebben.

Inderdaad: weinig tot niets. ‘Pulp Fiction’ wordt niet beter als de fabuleuze mayo-scene met zo’n dure camera gefilmd werd; en het episch drama ‘Titanic’ zou in een enkele scène wat overweldigender worden, maar daartegenover staat de ellenlange, nutteloze zit met een bril van grofgeschat 3,5kilo op je neus.

Er is nog iets anders aan die bril. Aangezien we het breezer-tijdperk ontgroeid lijken, worden de jongeren weer wat preutser en normaler. De bioscoop wordt weer een plek voor een eerste date, in plaats van een eerste keer. En die rode brillen maken je date niet aantrekkelijker, laat staan hoeveel tijd je zelf meer voor de spiegel moet staan om je hoofd en outfit zo te krijgen dat je er nog enigszins appetijtelijk uitziet met een gigantisch rode Robocop-extensie op.

Neen. De enige dimensie die 3d-films extra hebben op 2d-films is de dimensie ‘jammer’. 2d voor de win.

Leave a comment

Mijn Zusje

Je slaat klassen over, kunt memory spelen in het Engels en vast al tellen in het Spaans. Je bent mooi, altijd vrolijk en heerlijk hysterisch. Je hebt al het geluk van de wereld, de liefste ogen die me doorgronden en de grootste mond die ik kan hebben. Want je bent tegelijkertijd een etter. Je pest me, bent irritant en uitzonderlijk vermoeiend. Maar god wat houd ik van jou.

Ik kan niet omschrijven hoeveel ik om je geef. Mijn kippetje. Mijn kleine grote meis. Ik studeer om te werken om jou te geven. Ik wil je verwennen, het grootste geluk van de wereld geven om alle kansen voor je open te laten. Ik fiets dronken tegen palen, begin met roken en probeer alle shit te verwerken die ik tegenkom. Opdat ik jou op een dag mag zeggen wat je wel en niet kunt doen. Om me te ergeren aan je keuzes, je vriendjes af te keuren en je kleding te sexy te vinden. Zodat jij me kunt haten, me mag uitschelden om vervolgens van me te houden.

Want je bent het allerbelangrijkst. Zeven foto’s verspreid over mijn kamer mogen me terugbrengen naar de tijd dat ik je voorzichtig in bad deed, je urenlang door de kamer tilde tot je stil werd en wilde slapen, iets te hard met je stoeide tot mama door de kamer gilde dat er iemand zou gaan huilen. Naar de tijd dat ik ‘s morgens veel te vroeg naast je zat op de bank om ruzie te krijgen over welk tekenfilmpje we gingen kijken, wie waar mocht zitten en dat je een boterham moest eten. Naar de dagen dat je op je slijmgroene Ikea-kruk mij de les las dat het ‘nanoontje’ was, ik je zei dat die laatste hap er ook in moest en dat ik je beloofde samen naar die film te kijken. Ik je meenam naar de bios en uit eten, we samen uitbundig alle K3 liedjes meezongen en jij je afvroeg waarom ik haartjes op mijn borst had en jij niet. Dat je op mijn buik in slaap viel, tussen mijn benen op de bank eindelijk rustig werd en je op mijn hoofd door winkels wil lopen.

En nu? Je rijdt paard, je danst van jazz tot hiphop, hebt negenhonderd vriendinnetjes en bent het lievelingetje van iedereen die je tegenkomt. Ik weet dat je feestjes hebt, dat je rekenen kunt en dat je al wat namen kunt schrijven. Dat zie ik op tekeningen of hoor ik van mama. Maar ik zie je te weinig. Zo nu en dan zoek ik jou op, of kom je naar mijn werk. Dan zijn de eerste minuten onwennig, knuffelen we veel te hard en moet ik drie keer vragen om een goede kus. Een natte, zoals alleen jij die kunt geven, met je kleine armpjes om mijn nek en de benen om mijn middel die me samenknijpen. Je wordt lang en zwaar, groeit en bent nu een echte meid. Bellen doe je niet. Dat weiger je. Toch kan ik huilen als ik weet dat je tegen iedereen die het wil horen over mij praat. Dat je dan zegt dat ik je grote broer ben en dat je ruzie maakt met hen die zeggen dat ik niet van jou ben. Want ik ben van jou en niemand die daar tussenkomt.

Alleen ik. Ik doe te weinig voor je, ben er niet vaak genoeg bij en ben afwezig op belangrijke momenten in je leven. Maar dan, ik ben je grote broer en jij mijn kleine zusje. Het hoort vast zo; als ik er niet ben, heb je altijd mama en oma nog. Maar dan, door alle momenten uit jouw baby- en peuterjaartjes, de dagen dat ik voor je zorgde als mama druk werkte of haar welverdiende rust pakte, die hebben ervoor gezorgd dat ik je koester op een manier die veel dieper gaat. Ik voel me verplicht te zorgen dat jou niets overkomt, ten koste van alles, ten koste van mezelf. Want god, wat houd ik van jou.

Je wordt morgen zes. Het cadeautje ligt klaar, net zoals laatst dat van de Sint, naast dat van de Kerstman. Maar die doen er niet toe. Wat belangrijk is, is de belofte die ik maak dat ik er voor je ben en je alle vrijheid en het leven garandeer. Niemand die daartussen zal staan. Mijn kleine kippetje. Mijn kleine grote meis. Mijn zusje. Mijn Cherryl, jouw Nicky.

Leave a comment

%d bloggers like this: